ENERGIE PSYCHOLOGIE en KINESIOLOGIE

Achtergrond informatie over … EMDR, RET, TFT, NLP, NEAT, TAT, TIR, V/KD, TAB etc. en DSM IV stoornissen.

Inleiding
In het begin van jaren tachtig maakte de Amerikaanse psycholoog Roger Callahan iets mee wat zijn werk en zijn leven drastisch zou veranderen. Hij was opgeleid als cognitief behaviorist, verzorgde seminars in Rationeel Emotieve Therapie (RET). Hij werkte daarbij met systematische desensitisatie en exposure en had expertise in cliënt-centered therapie, biofeedback en hypnose. Mary, een cliënte met watervrees, maakte minimale vorderingen, ondanks alle tijd en moeite die zij in haar therapie investeerde. Toen na 18 maanden Callahan’s hele repertoire aan technieken was toegepast, met minimaal resultaat, vroeg hij haar op een bepaald behandelpunt te tikken. Hij had het weekeinde ervoor een work-shop over meridiaantherapie gevolgd en gehoord dat het tikken op dat punt tegen angsten kon helpen. Na een minuut tikken bleek Mary tot zijn verbazing van haar fobie verlost. De effecten bleken blijvend. Wat hem het meest opviel was dat hij het haar terloops had gevraagd, zonder zelf in het effect te geloven. Daarom, en omdat hij met veel meer therapeutisch vertoon in de voorgaande maanden met andere technieken had gewerkt, achtte hij het suggestieve element bij haar uitgesloten. Hij besloot om het terrein serieus te gaan verkennen. Hij paste het voor veel uiteenlopende behandelingen toe. Zijn resultaten bleven onveranderd goed.

Toen Callahan enige tijd later zijn resultaten naar buiten bracht werd hij door vakgenoten met hoon overladen. Dit kwam mede door de grote claims die hij zijn therapie, Thought Field Therapy (TFT), toe-dichtte en de geringe waarde die hij toekende aan onderzoek van deze claims. In zijn kielzog echter ontwikkelden anderen vele varianten op hetzelfde  energetische thema. Deze behandelingen dragen vaak exotische namen, veelal afgekort met letters, zodat zich een alfabetsoep begint te ontwikkelen van energie-therapieën: EFT (Emotional Freedom Techniques), EdxTM (Energy diagnostic and Treatment Methods, BSSF (Be Set Free Fast), etc..

Figley’s onderzoek naar ‘Power-therapies’

Het werkgebied van TFT kwam in een stroomversnelling na het onderzoek van Figley en Carbonell van de Florida State University. In het begin van de jaren negentig nodigden zij 10.000 behandelaren van PTSS (Post Traumatische Stress Stoornis) uit om de naar hun mening meest efficiënt te techniek te nomineren voor onderzoek (Figley, 1996; Gallo, 1999). Theoretische achtergronden van de techniek deden niet ter zake, men mocht de meest bizarre technieken nomineren. De inclusiecriteria waren: bevestiging van minimaal 200  gecertificeerde clinici dat de methode binnen enkele sessies significante vermindering van PTSS-symptomen geeft, snel te leren is en repliceerbaar onder laboratoriumcondities.

Vier methodieken kwamen in aanmerking:
EMDR (Eye Movement Desensitisation and Reprocessing, een methode die de cliënt laat denken aan het trauma terwijl hij oogbewegingen maakt, zie: Shapiro, 1995; Baldé, 2001), V/KD (Visual/Kinesthetic Dissociation, een visualiseringtechniek uit Neurolinguistic Programming (NLP) waarbij de Kinesioloog aan de cliënt vraagt om de traumafilm eerst van het begin tot het eind en vervolgens achterstevoren te visualiseren, zie: Cameron-Bandler, 1978), TIR (Traumatic Incident Reduction van Frank Gerbode 1989, die het belang van een sterke en veilige therapeutische relatie benadrukt waarbinnen de therapeut de cliënt uitnodigt om het trauma herhaaldelijk te visualiseren met de intentie om ervan te leren) en TFT. 51 Patiënten deden mee, waarvan 39 tot het eind. Elk kreeg maximaal 4 behandelingssessies. 17 cliën ten kwamen na 6 maanden niet bij de followup, maar alle 39 cliënten kregen een follow-up onderzoek na 4 tot 6 maanden. De uitkomsten toonden aan dat alle vier de technieken substantiële verminderingen gaven in SUD-scores. (SUD is de afkorting van subjective unit of distress, een schaal van 0 tot 10 van Joseph Wolpe, 1985. Het is een subjectieve score die de mate van spanning aangeeft die een cliënt voelt wanneer hij aan het trauma denkt). Het verschil tussen het SUD-gemiddelde voor behandeling (8,5) en tijdens de follow-up (3,8) was significant. Verder bleek een significante afname in PTSS-symptomen als nachtmerries, herbelevingen en hyperarousal. Het ontbreken van een controlegroep was een tekortkoming in het onderzoek. Deze resultaten zijn echter opmerkelijk omdat PTSS berucht resistent is tegen placebo’s (Solomon et al, 1992) en de symptomen met het verstrijken van de tijd niet verminderen (van der Kolk, 1996).

Figley kon geen conclusie trekken over het verschil in efficiëntie tussen de technieken. Wel concludeerde hij: “Among the most exciting and different treatment approaches we studied was TFT. The treatment was simple, fast, harmless, and easy to teach both clients and clinicians. It was different because little talking was involved… I must say we found the procedure very peculiar.”

Energie Psychologie & Kinesiologie

Bij deze ‘energetische psychotherapie’ gaat men niet langer uit van de mechanistische Newtoniaanse visie, waarin de mens bestaat uit ingenieus samenwerkende moleculen. In plaats daarvan werkt men vanuit een op de kwantummechanica gebaseerd paradigma in een toepassing voor de psychologie (Diamond, 1989; Callahan, 1996; Tiller, 1997; Bohm en Hiley, 1993; Benor, 2001). In deze visie bestaat de mens niet alleen uit materie maar ook uit dynamische energievelden die deels bepalend zijn voor emoties en gedachten. De protagonisten van die visie weten zich gesteund door observaties in gecontroleerde, vaak dubbelblind uitgevoerde onderzoekingen (Benor, 2001).

Verstoringen in de samenhang van deze energieën leiden volgens deze visie tot emotionele problemen en psychische stoornissen. Psychologische behandelingen beginnen dan met het diagnosticeren van het informatie-energiesysteem in en om het lichaam. De psycho-energetische behandeling zelf bestaat in hoofdzaak uit het corrigeren van deze energieën.

Energie als metafoor
Het concept ‘energie’ kan men in deze context als metafoor beschouwen. Het gaat hier niet om materiële krachten, maar over de vermogens van dynamische samenhang van de materie. Het gaat om een complex regelsysteem, met transformatie van energieën van verschillende soorten, die de samenhang van ons lichaam bepalen. Het zijn de onderlinge relaties tussen moleculen en materie die in deze door de term ‘energie’ worden beschreven. Callahan postuleert verschillende concepten (onder andere de verderop te beschrijven ‘perturbation’, ‘holon’, ‘psychological reversal’ en ‘thoughtfield’) in een poging om de merkwaardige resultaten die hij krijgt te kunnen begrijpen. Het is waarschijnlijk dat in de nabije toekomst andere verklaringsmodellen zullen worden ontwikkeld. Zeker zal ook, naarmate wij meer van deze verschijnselen gaan begrijpen, ons begrip van het concept ‘energie’ veranderen en daarmee wellicht daarmee de term. Het is te voorzien dat het in de toekomst meer expliciet wordt verbonden met bewustzijn.

Historische ontwikkeling van de Energie Psychologie
Het ontstaan van de Energie Psychologie is vooral beïnvloed door twee eerder bestaande energetische behandelvormen: de Meridiaantherapieën en de Toegepaste Kinesiologie (Applied Kinesiology).

Meridiaantherapieën
In de visie van de meridiaantherapieën stromendeze regelsysteem-energieën door ‘communicatiekanalen’ in en om ons lichaam (meridianen genoemd).
Deze meridiaantherapieën, waarvan de acupunctuur het meest bekend is, waren al in het oude China bekend en artsen in China, Japan, Tibet en India gebruiken ze nu nog. Volgens deze theorie stroomt de energie door 14 in één lange baan met  elkaar verbonden meridianen en beïnvloedt organen als de lever, het hart en de milt, evenals onze emoties en gedachten. Het gaat hierbij niet om de fysieke organen, maar om de regulatie van hun functies. Een onbalans in deze energiestroom veroorzaakt disfunctionele emoties. Behandeling bestaat uit het corrigeren van deze onbalans door het stimuleren van specifieke behandelpunten op de meridiaanbaan. Het aantonen van het bestaan van deze meridianen is bemoeilijkt doordat het gaat om communicatie – kanalen. Zoals de bundel van Hiss in het hart zijn de cellen anatomisch niet anders, en andere meetmethoden zijn nodig om de meridianen te demonstreren.

Er zijn verschillende aanwijzingen voor hun bestaan (Voll, 1975; Pomeranz, 1996; Nordenstrom, 1983; Becker en Selden, 1985). De gemeten elektrische weerstand blijkt op de behandelpunten 10 keer kleiner dan op willekeurige andere plaatsen van het lichaam (100.000 Ohm versus 1.000.000 Ohm). Becker (1985) vermoedt dat de punten dienen als een soort transformatoren die elektromagnetische signalen versterken en Tiller (1997) ontwikkelde een elektromagnetisch model waarin deze punten zowel energie ontvangen als  doorgeven. Door het uitoefenen van druk met de vingertoppen op een meridiaanpunt of door elektrische stimulatie ervan, of door er in te prikken met een naald, kan men de energie in de meridiaan stimuleren.

Toegepaste Kinesiologie
Toegepaste Kinesiologie werd ontwikkeld door de chiropractor Goodheart die een verband waarnam tussen de kracht van een spier en de energie van de bijbehorende meridiaan. In de praktijk is dit een werkzame bevinding. Een onderzoek van Montiet al. (1999) vond een significant verschil tussen spierkracht bij congruente en incongruente uitspraken. Zij concludeerden dat de klinische toepassing van de spiertest nader onderzoek wettigt. Afname van de kracht in een spier was volgens Goodheart een indicatie van disbalans in de betreffende meridiaan. Hij ontdekte dat door het tikken met de vingertoppen op een meridiaanpunt (in het Engels: ‘tappen’) de kracht in de spier herstelde. Eind jaren zeventig integreerde de psychiater John Diamond (1989) als eerste de Toegepaste Kinesiologie in de psychotherapie. Hij maakte gebruik van de invloed van cognities op de energieën in de meridiaanbanen, waarbij hij voor de cliënt aanschouwelijk maakte dat negatieve uitspraken een spier minder krachtig maakten en positieve krachtiger. Cliënten werden geïnstrueerd om dagelijks positieve cognities te herhalen terwijl zij specifieke meridiaanpunten stimuleerden.

Callahan
Voortbouwend op Goodheart en Diamond ontwikkelde Callahan begin jaren 80 een methode gebaseerd op het diagnosticeren en corrigeren van meridiaan-energieën, die hij Thought Field Therapy (TFT) noemde. Het ‘thought field’, of gedachteveld, is simpel gezegd het energetisch veld dat actief is bij een bepaalde gedachte of gevoel. Of anders gezegd: de complexe, coherente structuur van gecodeerde informatie-energie. Callahan (1995) veronderstelt dat de energetische informatie in dat veld essentieel is voor het ervaren van negatieve emoties. Deze actieve informatie bevat gecodeerde instructies om chemische, neurologische en cognitieve veranderingen te veroorzaken die op hun beurt leiden tot de bewuste ervaring van een negatieve emotie. ‘Actieve’ informatie is het fundamentele concept in de interpretatie van de Kwantumtheorie door Bohm en Hiley (1993). Callahan noemt deze (actieve) energetische informatieaspecten ‘perturbations’, of ‘verstoringen’. (Het is te vergelijken met de term ‘stoorveld’, zoals die onder meer in de neuraaltherapie gebruikt wordt.) Omdat TFT zulke sterke chemische, hormonale, neurologische en cognitieve veranderingen lijkt te veroorzaken, vermoedt Callahan dat de perturbation het belangrijkste en fundamentele element van een negatieve emotie is. TFT diagnosticeert voor een emotioneel probleem (lees: een perturbation) de te behandelen meridiaanpunten.

Callahan acht de volgorde waarin de punten worden behandeld belangrijk. Evenals Diamond maakt ook TFT gebruik van cognities. Recentelijk heeft Callahan deze cognitieve elementen uit TFT verwijderd. Hij wil daarmee aantonen dat TFT in wezen geen cognitieve therapie is, maar een puur energetische.

Diepold
J. Diepold (2000) ontdekte dat het niet nodig is om te tikken op een meridiaanpunt: het volstaat dat de cliënt het punt met twee vingertoppen aanraakt terwijl hij een volle ademteug in en uit neemt. Deze stimulatiemethode heet Touch and Breathe (TAB).

Een korte omschrijving van TFT
Bij TFT diagnosticeert de behandelaar het energiesysteem door de kracht in te schatten van een bepaalde spier van de cliënt, meestal de deltaspier van de bovenarm. Hiertoe vraagt de therapeut aan de cliënt om de arm zijwaarts te strekken. De behandelaar plaatst zijn vingers op de onderarm van de cliënt. Dan instrueert de behandelaar de cliënt om met de vingers van zijn andere hand een bepaald punt van het meridiaansysteem aan te raken en aan het probleem te denken. Terwijl de cliënt dat doet oefent de behandelaar een zachte neerwaartse druk uit op de onderarm. Als het lichaam regelsysteem onverstoord blijft, behoudt het lichaam haar houding; de spier noemt men dan ‘sterk’. Als de spier sterk aanvoelt heeft het betreffende meridiaanpunt te maken met het probleem. Als de spier zwak aanvoelt is de interne systeemregulatie door het denken aan het probleem verstoord. Het gediagnosticeerde punt speelt dan geen rol bij het probleem, doordat het de systeemintegriteit niet corrigeert.

Het op deze wijze bepalen van de te behandelen punten heet ‘therapy localisation’. Als de punten zijn gevonden vraagt de therapeut aan de cliënt om aan het probleem te denken en tegelijkertijd met de toppen van de vingers op de meridiaanpunten te tikken. Ook vraagt hij de cliënt om specifieke oogbewegingen te maken, iets te neuriën en te tellen.

Holons
Het probleem kan volgens Callahan uit meerdere aspecten bestaan, door hem ‘holons’ genoemd. De therapeut diagnosticeert en behandelt de betrokken aspecten of holons na elkaar. Callahan rapporteert dat negatieve emoties aldus binnen enkele minuten sterk verminderen of zelfs verdwijnen. Voor disfunctionele cognities geldt dat zij aan overtuigingswaarde en lading inboeten. Complexe problemen vragen meerdere sessies, maar bij geringere emotionele problemen kan één sessie en een ‘tap’- huiswerkopdracht volstaan.

Algoritmes
Callahan ontdekte patronen in de meridiaanvolgorde bij de behandeling van bepaalde problemen. Hij kwam zo tot wat hij noemde algoritmes, een vaste volgorde van behandelpunten voor specifieke psychische problemen, zoals voor fobieën, trauma’s, verslavingen, enzovoort. Zo is het niet altijd nodig om de punten te diagnosticeren en kan de Kinesioloog de behandeling volgens het algoritme geven. TFT met algoritmes is veel makkelijker te leren, maar mist de precisie die bij individuele cliënten vaak noodzakelijk is.

EFT, dat staat voor: emotionel freedom techniques.

Het is ontwikkeld door Gary Graig, een tevens in NLP opgeleid ingenieur die een dure training volgde bij Callahan. Hij vereenvoudigde de TFT-principes in een elegant protocol waarin de cliënt voor de verschillende aspecten van het probleem telkens een vaste volgorde behandelpunten tikt. Deze volgorde is: 13 meridiaanpunten, gevolgd door de 9-Gamut behandeling (die verderop wordt beschreven) en afgesloten met weer dezelfde 13 meridiaanpunten. Via de website van Craig (www.emofree.com) is het dikke handboek gratis te downloaden, alsmede instructieve videobanden, die overigens wel geld kosten.

Het TFT-protocol
De voorbereiding
Het geven van uitleg over de procedure en de rationale ervan is wenselijk vanwege het onconventionele
karakter van TFT. Dit komt vooral doordat in de westerse geneeskunde het lichaam/informatie regulatiesysteem niet als basis van ons lichaams-functioneren gekend wordt. Gewoonlijk zal de Kinesioloog wijzen op het verband van TFT met acupunctuur, waar de meeste mensen vertrouwd mee zijn. Ook geeft hij een korte uitleg gegeven over het biofeedback mechanisme dat werkzaam is bij het testen van de indicatorspier. Vervolgens vraagt de Kinesioloog toestemming aan de cliënt om de energietest uit te voeren en vergewist zich er van dat de spier niet geblesseerd is. Bij de energietest houdt de cliënt de arm voorwaarts gestrekt en geeft omhoog tegendruk terwijl de Kinesioloog met de hand op de onderarm enige druk neerwaarts uitoefent. Hoewel in principe elke spier van het lichaam te gebruiken is gaan we in de verdere tekst voor het gemak ervan uit dat de gebruikte indicatorspier de deltaspier van de arm is, zoals in het voorbeeld. Als de cliënt aan iets prettigs denkt voelt de Kinesioloog meer kracht in de spier dan wanneer de cliënt aan iets onprettigs denkt. Dit heet respectievelijk ‘sterk testen’ en ‘zwak testen’. Als de cliënt een ware uitspraak doet test hij ‘sterk’ en bij een onware uitspraak ‘zwak’, enzovoorts. Door op deze wijze enig testwerk te doen verkrijgt de Kinesioloog een indruk van de idiosyncratische wijze waarop het energiesysteem van de cliënt reageert.

Randvoorwaarden: depolarisatie en psychologische omkeringen
Soms treedt bij het diagnosticeren een complicatie op, veroorzaakt door het verkeerd gepolariseerd zijn van de energieën. Deze zijn, zoals alle energievormen, gepolariseerd, zij bezitten een min- en een pluspool. Bij een normale polarisatie is de bovenkant van het hoofd positief geladen, de handpalmen negatief, de rugzijde van de hand positief, enzovoort. De polariteiten correleren met de lichaams-polariteiten zoals die zijn gemeten door Burr (1972)
en Becker (1985). Zij kunnen echter ook omgekeerd of gedepolariseerd zijn, wat verdere therapie bemoeilijkt.

Depolarisaties zijn gemakkelijk te corrigeren met ademhalingsoefeningen, gecombineerd met het aannemen van bepaalde lichaamshoudingen. Blaich (1988) onderzocht deze correcties en vond dat proefpersonen significant sneller teksten konden lezen nadat zij een energetische correctie hadden uitgevoerd. De begrippen ‘depolarisatie’ en de in de volgende paragraaf besproken  psychologische omkering’, zijn speculatieve concepten van Callahan.

Psychologische omkeringen
Als de polariteiten goed zijn, vraagt de Kinesioloog aan de cliënt om hardop te zeggen: ‘Ik wil gelukkig zijn’ waarna de Kinesioloog de spiertest uitvoert. Wanneer de spier zwak test is er volgens Callahan sprake van ‘massive psychological reversal’. Het concept psychologische omkering lijkt wat op het begrip ‘onbewuste weerstand’, in dit geval weerstand om gelukkig te zijn. Men kan het ook omschrijven als een uitspraak waarbij sprake is van ambivalentie, of van incongruentie. Volgens Callahan er is echter vooral sprake is van een energetisch fenomeen. Depolarisaties en psychologische omkeringen kunnen op verschillende momenten van de diagnostisering en behandeling optreden (en tevens worden gecorrigeerd). De Kinesioloog moet op deze fenomenen bedacht zijn wanneer het proces onvoldoende vordert of anderszins dreigt te stagneren. De aanwezigheid van een psychologische omkering is vast te stellen door de cliënt de betreffende cognitie te laten uitspreken en vervolgens met de spiertest de energie te testen.

Mogelijke omkeringen zijn:
Ik wil dit probleem behouden’, of:
‘Ik zal dit probleem behouden’, of:
‘Ik wil een deel van het probleem houden’, of:
‘Ik verdien het niet om over dit probleem heen te komen’, of:
‘Het is niet veilig voor mij (of anderen) om dit probleem te overwinnen’.

Verschillende psychologische thema’s kunnen bij een rol spelen, bijvoorbeeld machteloosheid, minderwaardigheid en onveiligheid. Ze houden verband met de regulatie van de samenhang van ons
lichaam in onze omgeving. Dit staat bekend als het ‘fight, flight, fear or faint-mechanisme’. Hierin zijn vaak disfunctionele cognities en schemata te herkennen. Een psychologische omkering is meestal vrij simpel te corrigeren. De cliënt raakt de zijkant van zijn hand aan (dunne darm meridiaan) terwijl hij drie keer de meer functionele cognitie uitspreekt die bij de betreffende psychologische omkering hoort.

Deze cognitie heeft de volgende vorm: ‘Ik kan mijzelf volledig accepteren, ook als ik…’ en dan volgt de disfunctionele cognitie. Bijvoorbeeld: ‘Ik kan mijzelf volledig en volkomen accepteren, ook als ik niet gelukkig wil zijn’, of: ‘Ik kan mijzelf volledig en  volkomen accepteren, ook als ik denk dat ik het niet verdien om over dit probleem heen te komen’. De cliënt voert de correcties uit en de Kinesioloog verifieert ze vervolgens met een spiertest. Pas wanneer het energiesysteem ‘zwak’ test bij het denken aan het probleem is er geen psychologische omkering of depolarisatie (meer) actief en kan de diagnostisering van het gedachteveld beginnen. Callahan geeft aan dat geoefende behandelaren meteen kunnen beginnen met diagnostisering en behandeling, omdat de polarisaties en omkeringen vanzelf aan het licht komen. Vervolgens kan de Kinesioloog ze corrigeren. De Kinesioloog neemt de SUD-score regelmatig af. Deze dient als subjectief evaluatie-instrument tijdens de sessie.

Energetische diagnostisering en behandeling
Bij de diagnostisering vraagt de Kinesioloog aan de cliënt om zijn vingers op het diagnosepunt (ook wel alarmpunt genoemd) van een meridiaan te plaatsen en aan het probleem te denken. Wanneer dan de spier ‘zwak’ test, is de betreffende meridiaan niet betrokken bij het probleem en test de Kinesioloog een andere meridiaan. Wanneer de spier bij een diagnosepunt op een andere meridiaan ‘sterk’ test, is die meridiaan in disbalans. De Kinesioloog noteert het punt en laat de cliënt de meridiaan zelf behandelen. Hiertoe raakt de cliënt met de toppen van zijn vingers het behandelpunt van de meridiaan aan terwijl hij aan het probleem denkt gedurende een volle ademhaling in en uit. Daarna test de Kinesioloog de energie van het probleem opnieuw: de cliënt denkt weer aan het probleem terwijl de Kinesioloog de spiertest uitvoert. Bij een zwakke test bestaat het probleem nog en zoekt de Kinesioloog dus nog een andere meridiaan om te behandelen. Net zolang totdat de test sterk is. De behandelpunten zijn dan vastgesteld en genoteerd door de Kinesioloog. Vervolgens vindt er nog een behandeling plaats door de cliënt de zogenoemde ‘9-Gamut’ te laten verrichten, waarna de cliënt de sequentie van alle gevonden behandelpunten herhaalt.

De 9-Gamut-behandeling
De 9-Gamut zijn negen handelingen die de cliënt uitvoert terwijl hij met de wijsvinger- en middelvingertoppen van de ene hand de rug van de andere hand op de plek tussen de pink en de ringvinger aanraakt. (Dit is een behandelpunt van de drievoudige verwarmer meridiaan.)

De negen handelingen zijn in volgorde: de ogen open; de ogen dicht; de ogen open en naar rechts beneden kijken; idem links beneden; met geopende ogen een cirkel beschrijven met de wijzers van de klok mee; idem tegen de wijzers van de klok in; een melodietje neuriën, tot vijf tellen, een melodietje neuriën. Een handeling neemt ongeveer 3 à 4 seconden in beslag. Callahan ontwikkelde deze procedure teneinde energetische patronen tijdens de behandeling te optimaliseren. De theoretische onderbouwing ervan zou hier te ver voeren.

Her-evaluatie en voortgang
Daarna geeft de cliënt opnieuw een inschatting van het probleem op de SUD-schaal. Als de SUD hoger blijft dan 1, test en behandelt de therapeut de aanwezigheid van andere psychologische omkeringen. Mocht het probleem daarna nog niet verholpen zijn (omdat de spiertest nog steeds ‘zwak’ is), dan is er een ander aspect of holon actief in het probleem. Diagnostisering en behandeling van de behandelpunten op dat holon kan nu plaatsvinden. De Kinesioloog diagnosticeert en behandelt alle aspecten van het probleem (Callahan zou zeggen: ‘alle holons binnen de perturbation’) op bovenstaande wijze.

Na afloop van de sessie kan de cliënt indien nodig (de Kinesioloog kan de noodzaak hiervan energetisch testen) als huiswerk de volgorde van de punten meekrijgen om zichzelf te ‘tappen’. Het volledige protocol is niet makkelijk. Een goede uitvoering ervan vereist naast een gedegen instructie ook oefening.

Onderzoek naar Energie Psychologie
Na de eerste jaren van wilde claims, gebaseerd op anekdotes zonder research, worden de methodieken van Energie Psychologie pas de laatste tijd aan serieuzere onderzoeken onderworpen. Veelal zijn het pilotstudy’s die te vinden zijn op het internet en niet zijn gepubliceerd in een vakblad. Inmiddels is ook de eerste randomised study met controlegroep verricht.

Enkelvoudige fobie
Zo onderzochten Wells et al. (2000) het effect van een één-sessie behandeling van EFT (n=18) en Diaphragmatic Deep Breathing (DB) (n=17) op enkelvoudige fobieën. Onderzochten werden at random toegewezen aan de behandelcondities. BD-behandelingwas in verschillende opzichten hetzelfde gemaakt als EFT, zoals het gebruik van een cognitie vooraf, de verschillende aspecten van de angst, etc.. Beoordeelaars van het therapeutisch effect wisten niet welke behandeling de proefpersonen hadden ontvangen. Beide condities gaven significante vooruitgang te zien. De vooruitgang met EFT was significant groter dan die met DB op 4 van de 5 gemeten variabelen, waaronder vermijdingsgedrag. Gezien het verschil in effectiviteit van de twee behandelvormen speculeren de onderzoekers dat EFT een extra effect geeft door stimulering van het energetisch systeem van het lichaam.

Fobieën voor insecten en kleine dieren
Christoff (2000) onderzocht het effect van Be Set Free Fast (BSFF, een variant van TFT) op een fobie voor kleine dieren. Zij gebruikte het single case study design bij 4 mensen. Deze hadden een fobie voor respectievelijk krekels, mieren, hagedissen en wormen. Zes weken werd gedurende 2 keer per week met diverse vragenlijsten gemeten om de baseline vast te stellen. Daarna vonden 6 behandelsessies plaats, gevolgd door nametingen. De onderzoekster vermeldt dat de 4 fobici na de behandeling geen enkele angst meer hadden in aanwezigheid van het fobische object. Het grootste effect had de eerste sessie, met nog wat kleine vooruitgang in de volgende een of twee sessies.

Claustrofobie
Pratt en Lambrou (1999) onderzochten het effect van de TFT-algoritmebehandeling van claustrofobie in een pilot (n=8). Voormetingen bestonden uit diverseangstvragenlijsten, EEG, EMG, hartslagsnelheid, ademhalingssnelheid, huidweerstand, subjectieve en gedragsmetingen. De 4 fobici kregen gedurende 30 minuten de TFT-behandeling en de controlegroep (n=4) luisterden dezelfde tijd naar klassieke muziek. In dit onderzoek werd geen goede screening gedaan. Zo bleek tijdens het onderzoek dat 2 van de fobici eigenlijk alleen fobisch waren voor kleine ruimten gevuld met mensen. In het onderzoek werd een kleine ruimte gebruikt zonder mensen, hetgeen de verschillen tussen de groepen verminderde. Ook hadden verschillende onderzochten in de behandelgroep meervoudige fobieën.
Eén van de fobici die voor de behandeling niet in de afgesloten ruimte kon verblijven, kon dat na afloop van de behandeling wel. Een ander kon voor de behandeling geen 2 minuten in de ruimte verblijven, zelfs met de deur open. Na behandeling bleef zij 5 minuten in de kleine ruimte (met de deur open) en meldde geringe spanning. Een onderzochte kon na de behandeling op het werk in drukke liften, iets dat voorheen niet mogelijk was. De onderzoekers concluderen dat de TFT-groep een significant groter behandeleffect vertoonde, vergeleken met de controlegroep. Verder geven zij aan dat sommige van deze verschillen ook werden gevonden bij de autonome reactiepatronen (EEG,etc.), die minder placebogevoelig zijn.

Angststoornissen, somatoforme stoornissen, verslavingen en verwante DSM IV-stoornissen
Andrade (Andrade en Feinstein, 2001) onderzocht in een 5 jaar durende pilot de reactie van 5000 pa –
tiënten op verschillende meridiaan-‘tap’-behandelingen. Het betrof mensen met paniekstoornis, agorafobie, sociale fobie, enkelvoudige fobie, obsessieve compulsieve stoornis, gegeneraliseerde
angststoornis, PTSS, eetstoornissen, ADHD en verslavingen. In de evaluatie werden alleen behandelingen betrokken waarbij met een controlegroep was gewerkt. De onderzoeker meldt dat de positieve resultaten bij de biomedisch opgeleide artsen van zijn team aanvankelijk ongelovige reacties opriepen. Deze verminderden nadat de positieve effecten zich voor bleven doen en ook in follow-ups blijvend bleken. Statistische analyse van de data gaf aan dat bij 93% van de cliënten positieve klinische resultaten werden bereikt met ‘tappen’ (p<.01) en bij 63% met medicatie en cognitieve gedragstherapie (CGT). Het gemiddeld aantal sessies in de ‘tap’-groep was 5 en in de CGT-groep 14. Andrade oncludeerde dat verschillende meridiaantherapieën in staat zijn om zeer snelle en positieve klinische resultaten te geven in de onderzochte pathologieën.

TFT bij de behandeling van PTSS
Diepold en Goldstein (2000) onderzochten het effect van TFT op EEG-metingen voor en na de behandeling. Voor de behandeling (n=1) werden significante verschillen in EEG-patronen gevonden tussen het denken aan een neutrale en een traumatische gebeurtenis. Direct na de TFT-behandeling waren deze verschillen verdwenen. In een follow-up na 18 maanden bleken de PTSS-symptomen niet te zijn teruggekeerd.

TFT bij hoogtevrees
In dit randomised controlled onderzoek (Carbonell, jaar niet bekend) werd het effect van een behandeling met een TFT-algoritme op hoogtevrees onderzocht. De mate van hoogtevrees werd vastgesteld met een vragenlijst en met een hoogtetest die bestond uit het bestijgen van een ladder waarbij SUD-metingen werden afgenomen. De 49 personen met hoogtevrees werden at random toegewezen aan de controlegroep of de TFT-groep. De placebobehandeling in de controlegroep bestond uit het ‘tappen’ op willekeurige, niet-TFT punten op het lichaam. De groepen bleken homogeen op de afgenomen tests voor de behandeling. Na een éénmalige behandeling moesten de onderzochten weer de ladder bestijgen en werden de SUD-scores nogmaals afgenomen.
Alle metingen en de toewijzing aan de controle- en behandelgroep werd door verschillende mensen
gedaan die niet behandelden en niet wisten tot welke groep de onderzochten behoorden. De TFT-groep vertoonde significant meer verbetering dan de controlegroep. De onderzoekster concludeerde dat TFT superieur was aan een placebobehandeling die gelijkenis vertoont met TFT.

Literatuur
 Andrade J. en Feinstein D. (2001) Energy Psychology: Theory, Indications, Evidence www.energypsych.org/articles_desc.php

 Arrindel W.A., Ettema J.H.M. (1986) SCL-90. Handleiding bij een multidimensionele psychopathologie-indicator, Swets Test Service, Lisse
 Baldé P.D. (2001) Met andere ogen bekeken.
EMDR, een nieuwe methode voor het genezen van emotionele problemen, Uitgeverij Elmar, Delft
 Becker R.O., Selden G. (1985) The Body Electric, New York, Morow
 Benor D.J. (2001) Spiritual Healing, Volume I, Scientific validation of a healing revolution, Vision Publications, Southfield, Michigan
 Blaich R.M. (1988) Applied kinesiology and human performance, In: Selected papers of the college of applied kinesiology (Winter), pp.7-15
 Bohm D., Hiley B.J. (1993) The undivided universe: An ontological interpretation of quantum theory, London, Routledge and Kegan

 Callahan R.J. (1995) Introduction to thought field therapy, A presentation to the Arizona Mental Health Association (op 21 april 1995)
 Callahan R.J., Callahan J. (1996) Thought field therapy and trauma: Treatment and theory, Indian Wells, CA, Uitgave van de auteur
 Cameron-Bandler L. (1978) They lived happily ever after, Cupertino, CA, Meta Publications
 Carbonell (jaar niet bekend) www.energypsychresearch.org/energy_research_in_progress.htm
 Christoff (2000) www.energypsychresearch.org /energy_research_in_progress.htm
 Diamond (1989) Life energy, New York, Dodd, Mead and Co
 Diepold J.H. (2000) Touch and Breathe. An alternative Treatment Approach with Meridian Bases Psychotherapies, Traumatology e, 6(2), ook op www.fsu.edu/~trauma
 Diepold en Goldstein (2000) www.energypsychresearch.org /energy_research_in_progress.htm
 Figley C. R. (1996) Traumatic death: treatment implications, In: K.J. Doka (Ed.) Living with grief after sudden loss, Washington, DC, Hospice Foundation of America

 Gallo F.P. (1999) Energy Psychology. Explorations at the interface of energy, cognition, behavior and health, CRC Press, Boca Ration, FLA
 Kolk B.A. van der, McFarlane A.C., Weisaeth L. (Eds.) (1996) Traumatic Stress, the effects of overwhelming experiense on miind, body and society, Guilford Press, New York
 Monti D.A., Sinnott J., Marchese M., Kunkel E.S., Greeson J.M. (1999) Muscle test comparisons of congruent and incongruent self-referential statements, Perceptual and Motor Skills, 88, pp.1019-1028
 Nordenstrom B. (1983) Biological based electrical circuits: Clinical, experimental and theoretical evidence for an additional circulatory system, Stockholm, Nordic
 Pomeranz B. (1996) Acupuncture and the raison d’etre for alternative medecine, Alternative Therapies, 2(6), pp.84-91
 Pratt & Lambrou (1999) www.energypsychresearch.org /energy_research_in_progress.htm
 Shapiro F. (1995) Eye Movement Desensitisation and Reprocessing: Basic principles, protocols and procedures, New York, Guilford
 Solomon S.D., Gerrity E.T., Muff A.M. (1992) Efficacy for treatments of posttraumatic stress disorder, Journal of American Medical Association, 268, pp.633-638
 Tiller W. (1997) Science and human transformation: Subtle energies, Intentionality and Conciousness, Walnut Creek, CA. Pavior Publishing
 Voll R. (1975) Twenty years of electroacupuncture diagnoses in Germany. A progress report, American Journal of Acupuncture, Special EAV issue, 3, pp.7-17
 Wells et al. (2000) www.energypsychresearch.org /energy_research_in_progress.htm
 Wolpe. J. (1985) The systematic desensitisation of neuroses, Journal of nervous and mental disorders, 132, pp.189-203
 Young J.E. (1994) Cognitive therapy for personality disorders: a schema focused approach, Professional Resource Press, Sarasota.